Strafprozessrecht
Haftentschädigung
Een Pflichtverteidiger is geen gekozen raadsman (Wahlverteidiger), maar een Strafverteidiger, die door de rechter in een geval van "notwendige Verteidigung" in de zin van § 140 StPO aan de verdachte wordt toegewezen. De verdachte kan daarbij zijn voorkeur voor een bepaalde Verteidiger kenbaar maken.
De Pflichtverteidiger kan rechtstreeks bij de Duitse Staat declareren. Mocht de verdachte onverhoopt veroordeeld worden, dan zal deze de voorgeschoten kosten alsnog op de veroordeelde verdachte verhalen; behoudens wanneer het jeugdstrafrecht is toegepast. De Pflichtverteidiger mag trouwens ook bijkomende financiële afspraken met de verdachte maken.

Haft-/Strafentschädigung: schadevergoeding wegens onterechte vrijheidsbeneming

Wettelijk kader
Het Gesetz über die Entschädigung für Strafverfolgungsmaßnahmen (StrEG) regelt de aansprakelijkheid van de Duitse "Staatskasse" voor schade die is ontstaan door toegepaste strafvorderlijke dwangmiddelen - waaronder voorarrest - die achteraf ten onrechte blijken te zijn opgelegd.
Bijzonder is, dat geen schuld van politie, Staatsanwaltschaft of rechter vereist is: het gaat om een risicoaansprakelijkheid van de Duitse Staat.
De wettelijke basis in geval van ten onrechte opgelegd voorarrest is met name § 2 StrEG.
Limitatieve voorwaarden
Een aanspraak op grond van § 2 lid 1 StrEG bestaat uitsluitend wanneer de betrokkene als verdachte (Beschuldigte) voorarrest heeft ondergaan én het strafproces vervolgens op één van de volgende, limitatief omschreven wijzen, in het voordeel van de verdachte eindig, namelijk door middel van een:
  • Freispruch => vrijspraak door de rechter;
  • Einstellung => beëindiging (sepot) van het opsporings- of hoofdonderzoek;
  • Ablehnung der Eröffnung des Hauptverfahrens => de rechter weigert de zaak naar de zitting te verwijzen.
Deze opsomming is overigens uitputtend: alleen deze drie uitkomsten openen de weg naar een schadevergoeding.

Let op:
Zelfs wanneer aan de voorwaarden is voldaan, kan de aanspraak op schadevergoeding alsnog worden uitgesloten of geweigerd:
  • Uitsluiting (§ 5 StrEG): de betrokkene heeft de maatregel zelf opzettelijk of grof nalatig veroorzaakt, bijvoorbeeld door een onjuiste verklaring af te leggen of door verwijtbaar ontlastende omstandigheden te verzwijgen.
  • Weigering (§ 6 StrEG): discretionaire weigeringsgronden, onder meer wanneer de betrokkene alleen wegens ontoerekeningsvatbaarheid (Schuldunfähigkeit) niet werd bestraft, of wanneer een procesbeletsel - zoals het ontbreken van een vereiste Strafantrag (strafklacht) - aan een veroordeling in de weg stond.
Een louter procedureel gunstige afloop biedt dus geen garantie op schadevergoeding: de rechter toetst zelfstandig of uitsluitings- of weigeringsgronden van toepassing zijn.
Aanhouding in Duitsland vs. aanhouding op basis van een Duits Europees Aanhoudingsbevel in het buitenland
==> Aanhouding én voorarrest ondergaan ín Duitsland
Wanneer de verdachte in Duitsland zelf is aangehouden, en dus in Untersuchungshaft (voorlopige hechtenis) heeft gezeten op grond van een Duitse Haftbefehl (arrestatiebevel met tenuitvoerlegging bevel voorlopige hechtenis), valt dit rechtstreeks onder § 2 Abs. 1, Abs. 2 StrEG. Iedere (aangevangen) dag telt mee voor de vaste dagvergoeding (Pauschalbetrag)
==> Aanhouding in Nederland op basis van een dóór Duitsland uitgevaardigd EuHB (EAB)
Wanneer de verdachte initieel in Nederland (of in een andere Europese lidstaat) is aangehouden op grond van een door de Duitse autoriteiten uitgevaardigd Europees Aanhoudingsbevel (EAB (EuHB)), geldt de bijzondere uitbreidingsbepaling van § 2 Abs. 3 StrEG: de Auslieferungshaft en de vorläufige Auslieferungshaft die de verdachte in het buitenland ondergaat op verzoek van een Duitse instantie, worden voor de toepassing van het StrEG gelijkgesteld met Duits voorarrest.

Dit betekent, dat de periode van de (voorlopige) aanhouding en de overleveringsdetentie in Nederland, hangende de overleveringsprocedure bij de Rechtbank Amsterdam (IRK), in beginsel voor de vergoedingsaanspraak meetelt, mits het onderliggende Duitse strafproces vervolgens voor de verdachte gunstig afloopt zoals hiervoor beschreven (Freispruch, Einstellung, Nicht-Zulassung). De periode ná de feitelijke overlevering, waarin de verdacht dus in Duitsland zelf in Untersuchungshaft (voorlopige hechtenis) zit, valt gewoon onder § 2 Abs. 1 StrEG.
Praktisch aandachtspunt
De volgende data dienen door de verdachte afzonderlijk en nauwkeurig bijgehouden te worden:
(1) datum van (voorlopige) aanhouding in Nederland;
(2) datum van de overleveringsbeslissing door de IRK; en
(3) datum van feitelijke overdracht aan Duitsland.

Deze periodes worden elk afzonderlijk opgevoerd, maar tellen gezamenlijk mee voor de vergoeding.
Betekenis van eventuele beperkingen tijdens de vrijheidsbeneming
De wettelijke dagvergoeding voor immateriële schade (Haftentschädigungspauschale, § 7 Abs. 3 StrEG) is een vast, uniform bedrag per dag en wordt niet gedifferentieerd naar de zwaarte van het detentieregime.
Of de verdachte/veroordeelde in een regulier regime zat, of onderworpen was aan bijzondere beperkingen - zoals postcontrole, een bezoekverbod, beperkte tijd buiten de cel, of (gedeeltelijke) isolatie - heeft géén invloed op de hoogte van de wettelijke dagvergoeding: die is voor iedereen gelijk.
De Pauschale bedraagt momenteel (2026) € 75 per (aangevangen) dag vrijheidsbeneming.

Dit laat twee dingen onverlet:
  • bijzonder zware of vernederende omstandigheden (bijvoorbeeld een schending van art. 3 EVRM) kunnen een zelfstandige, aanvullende aanspraak buiten het StrEG om opleveren, met name via Amtshaftung (§ 839 BGB jo. Art. 34 GG (Grundgesetz)) of rechtstreeks op grond van art. 5 lid 5 EVRM. Dit is een afzonderlijke aansprakelijkheidsgrondslag met een eigen bewijslast: in beginsel is bij Amtshaftung, anders dan bij het StrEG, wél verwijtbaarheid vereist.
  • Beperkingen die aantoonbaar vermogensschade veroorzaken, blijven relevant voor de materiële schadeberekening.
Schorsing van het voorarrest onder voorwaarden (Haftverschonung)
Wanneer de rechter de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis schorst onder voorwaarden (bijvoorbeeld een meldplicht, inname van het paspoort, opleggen van een borgsom (Kaution), of een contactverbod) - dus de zogeheten Haftverschonung op grond van § 116 StPO - geldt dit zelf ook als een compensabele maatregel op grond van § 2 Abs. 2 Nr. 3 StrEG.
Er is echter een belangrijk verschil met daadwerkelijk ondergane hechtenis: de vaste dagvergoeding voor immateriële schade is uitdrukkelijk beperkt tot "Freiheitsentziehung auf Grund gerichtlicher Entscheidung" - dus beperkt tot daadwerkelijke vrijheidsbeneming.
En een schorsing onder voorwaarden is per definitie géén vrijheidsbeneming (§ 7 Abs. 1 StrEG).

Dit betekent concreet:
  • Wél vergoedbaar: aantoonbare vermogensschade, die rechtstreeks uit de opgelegde voorwaarden voortvloeit - bijvoorbeeld reiskosten voor de meldplicht, of omzetverlies doordat de verdachte zijn beroep niet kon uitoefenen omdat zijn paspoort was ingenomen.
  • Niet vergoedbaar: de vaste dagelijkse immateriële vergoeding vanaf datum schorsing. Deze geldt immers uitsluitend voor de periode van daadwerkelijke hechtenis, dus vóór de schorsing inging.

Voorbeeld
Verdachte heeft 40 dagen daadwerkelijk in voorarrest gezeten en stond vervolgens 300 dagen onder Haftverschonung (schorsing), dan is de dagvergoeding voor immateriële schade, van (thans nog) € 75, alleen over de 40 dagen verschuldigd.
Over de schorsingsperiode kan uitsluitend nog concreet aangetoonde vermogensschade worden gevorderd.
Materiële en immateriële schade
==> Materiële schade (Vermögensschaden) => vergoed wordt de door de maatregel veroorzaakte vermogensschade, met name:
  • inkomstenderving (Verdienstausfall) en gederfde winst; ook bij verlies van de arbeidsplaats;
  • pensioen- en sociaalverzekeringsrechtelijke nadelen.

Twee beperkingen zijn van belang: materiële schade wordt alleen vergoed voor zover het aangetoonde bedrag hoger is dan € 25. De betrokkene draagt zelf de volledige bewijslast voor de omvang van de schade - bijvoorbeeld voor aangetoond inkomensverlies. Voor zelfstandig ondernemers is dit bewijs in de praktijk vaak lastig te leveren.
Kosten van de eigen strafrechtelijke verdediging worden in de regel niet via het StrEG vergoed; enkel op basis van de Kostenentscheidung in het Urteil.

==> Immateriële schade (Haftentschädigungspauschale) => voor elke (aangevangen) dag daadwerkelijke vrijheidsbeneming op grond van een rechterlijke beslissing, geldt sinds 8 oktober 2020 een vaste vergoeding van € 75 per dag (voordien € 25 per dag).
Deze vergoeding functioneert als een soort smartengeld voor het verlies van de vrijheid zelf, en staat los van het bewijs van concreet geleden leed.
Haftenschädigungsverfahren - procedure en termijnen
De Haftenschädigung-procedure kent twee gescheiden fasen:.

==> Fase 1 - Grundentscheidung (beslissing over de aansprakelijkheid an sich, dus over de vraag of überhaupt wel een aansprakelijkheid, en daarmee een vergoedingsplicht, van de Staat gegeven is)

  • Eindigt de Hauptverhandlung (onderzoek ter terechtzitting) bij de rechter in een vrijspraak of een rechterlijke Einstellung (sepot), dan beslist de rechter ambtshalve over de vraag wie de kosten van de strafzaak draagt; Kostenentscheidung: "Die Kosten des Verfahrens werden der Staatskasse auferlegt." o.i.d.. Dezelfde rechter moet echter ook gelijk in hetzelfde Urteil beoordelen of de voorlopige hechtenis terecht was, en zo neen, of de Duitse Staat hiervoor aansprakelijk is; dit is de zogenaamde Grundentscheidung (§ 8 StrEG). Soms komt die ook iets later - omdat bijvoorbeeld nog iets gecontroleerd dient te worden - en wel bij afzonderlijke Beschluss.
  • Wordt de strafzaak door de Staatsanwaltschaft geseponeerd (bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs (§ 170 StPO)), dan gebeurt dit niet automatisch: de verdachte moet zelf binnen één (1) maand een rechterlijke beslissing (Grundentscheidung) inzake de aansprakelijkheid (doen) aanvragen (§ 9 StrEG), en binnen 6 maanden na vaststelling van de aansprakelijkheid, zijn vordering indienen.

Let op:
Wordt het voorarrest feitelijk opgeheven, of de zaak beëindigd, zonder uitgebreide of kenbaar gemaakte motivering, dan ontstaat géén automatische Grundentscheidung. De verdachte dient dan zelf, tijdig (binnen 6 maanden) en gemotiveerd, een rechterlijke uitspraak over de aansprakelijkheid van de Duitse Staat ten aanzien van de vrijheidsontneming aan te vragen; anders blijft de aanspraak zonder gevolg.

Ook de exacte juridische grondslag van het sepot is bepalend: een sepot wegens onvoldoende bewijs/verdenking (bewijssepot ex § 170 lid 2 StPO) geeft in beginsel (wèl) een dwingende aanspraak op grond van § 2 StrEG.
Een (opportuniteits)seponering tegen betaling van een geldbedrag of andere voorwaarde (§ 153/§ 153a StPO) daarentegen, valt onder de discretionaire billijkheidsregeling van § 3 StrEG: de rechter kan schade laten vergoeden, maar is daartoe niet verplicht. En in de praktijk wordt vergoeding in dit laatste geval vaak geweigerd, omdat het aanvaarden van de voorwaarden voor een opportuniteitssepot als een vorm van instemming wordt uitgelegd.

==> Fase 2 - Betragsverfahren (vaststelling van het bedrag)
Zodra de Grundentscheidung (dus vrijspraak/sepot/Nicht-Zulassung, inclusief rechterlijke beslissing inzake de aansprakelijkheid van de Duitse Staat) onherroepelijk (rechtskräftig) is, moet de aanspraak op het bedrag binnen voormelde zes (6) maanden worden ingediend bij de Staatsanwaltschaft die de zaak in eerste aanleg laatstelijk heeft behandeld.
Fatale termijnen: 6 maanden vs.12 maanden
I. De eerste termijn van zes (6) maanden is een eerste fatale (verval)termijn: verzuim leidt in beginsel tot verval van de aanspraak, tenzij het verzuim de betrokkene niet kan worden verweten. De Staatsanwaltschaft is bijvoorbeeld verplicht de betrokkene over dit recht en de termijnen te informeren (Belehrungspflicht); de termijn gaat pas lopen vanaf de betekening van die kennisgeving.
Over het bedrag beslist vervolgens de Landesjustizverwaltung (regionale justitiële dienst). Tegen die beslissing staat de gewone rechtsgang open bij het Landgericht (§ 13 StrEG).
II. Daarnaast geldt een absolute vervaltermijn van één (1) jaar: is binnen één (1) jaar na de onherroepelijke Grundentscheidung nog steeds geen aanvraag ex § 10 lid 1 StrEG ingediend, dan vervalt de aanspraak definitief (§ 12 StrEG).
 

Stuur ons een bericht en wij nemen op korte termijn contact met U op.